
Van de Griekse Landschildpad worden twee geografische vormen onderscheiden: de oostelijke ondersoort is Testudo hermanni boettgeri, die aanmerkelijk groter wordt dan de westelijke ondersoort, Testudo hermanni hermanni. Het schild van de laatste is ovaler en contrastrijker van kleur. De ondersoort T.h. boettgeri wordt in Nederland veel nagekweekt; deze kan bij een goede verzorging tientallen jaren blijven leven. Dit is een prima soort om mee te beginnen. Zulks kan men niet beweren van de nauw verwante soort Testudo graeca, de Moorse Landschildpad, die zich onderscheidt van de Griekse door het ontbreken van de hoornnagel aan het uiteinde van de staart. Bovendien bezit de Moorse Landschildpad aan weerszijden van de staart ter hoogte van het dijbeen vergrote schubben (zgn. sporen) en heeft deze meestal een ongedeeld supracaudaal schild (het schild boven de staart). Moorse Landschildpadden zijn gevoelig voor stress en lijden vaak aan infecties van de luchtwegen en het maagdarmkanaal. Verzorging van deze soort in het terrarium is dus lastig en wordt voor beginners afgeraden.
Enkele soorten uit Noord-Amerika.
Muskus-schildpadden

(Sternotherus odoratus)
Komen voor in vijvers, langzame stromen en rivieren. Ze komen zelden aan land en zonnen zich in ondiep water. De vrouwtjes komen alleen aan land om eieren te leggen. Het smalle hoge rugschild is dikwijls begroeid met wieren en andere waterplanten. Het buikschild is smal en kort. De muskusschildpadden verspreiden een sterke geur. Er komen twee soorten voor in Noord-Amerika; de algemeenste heeft twee lichte streepjes aan beide zijden van de kop.
Modder-schildpadden

(Gewone: Kinosternon subrubrum / Geelnek: Kinosternon flavescens)
Hebben ongeveer dezelfde levenswijze als de muskusschildpad. Zij voeden zich met larven van waterinsecten en andere kleine waterdieren. Het buikschild is breder dan bij de muskusschildpadden. Het bestaat uit twee scharnierende delen, die een zeer goede bescherming kunnen leveren voor de kop en de poten. De dieren verspreiden ook een muskusgeur.
Bijt-schildpad
(Chelydra serpentina)
Is gevaarlijk evenals de alligatorschildpad. De lange nek, krachtige kaken en kwaadaardigheid maken het aanraken van deze dieren riskant. De dieren prefereren rustige modderige wateren. Ze eten vis en soms watervogels. De achterkant van het rugschild is van een zaagtanding voorzien en is dikwijls met groene wieren begroeid. Het buikschild is klein.
Alligator-schildpad
(Macroclemys temmincki)
Dit is de grootste zoetwaterschildpad van Noord-Amerika. Deze waterdieren liggen op de modderige bodem met open bek. Ze bewegen daarbij hun roze wormachtige tong om argeloze vissen aan te lokken. De kaken kunnen een bezemsteel of een arm kraken. Het rugschild is voorzien van drie richels.
Drie-klauwen
(Amyda ferox)
Hebben een hard rugschild met zachte randen en zonder hoornschubben. Onder dit schild kunnen de kop en de poten bescherming vinden. Er komen twee soorten voor, waarvan de 1 kleine knobbels heeft op de voorzijde van het rugschild. Beide soorten hebben een lange nek, scherpe kaken en een kwaadaardig temperament.
Gopher-schildpadden
(Gopherus polyphemus)
Zijn landschildpadden met stompe poten die geheel anders zijn dan de zwempoten van de moerasschildpadden. Zij eten planten, kleine insecten en andere dieren en zijn verwanten van de reuzenschildpadden (Galapagos Eilanden). Het rugschild van deze soorten is betrekkelijk hoog en de dieren graven lange diepe gangen in de bodem.
Beek-schildpad
(Clemmys insculpta)
Is gemakkelijk te herkennen aan de helder oranje-rode huid en het zware gekielde rugschild met de diepe concentrische groeven. Ze prefereren vochtige bossen, hoewel ze naar open land gaan om zich te voeden; als het droog is gaan ze naar moerassen en plassen en langzame stromen. Het mannetje heeft zwaardere, langere klauwen en grotere schubben op de voorpoten.
Sier-schildpadden
(Chrysemys picta picta / Chrysemys picta margarita)
De sierschildpad behoort tot de meest voorkomende schildpad in Amerika. Men vindt ze in vijvers, greppels, moerassen en in lanzame stromen. Deze kleine soorten voeden zich met waterplanten, insecten en andere kleine waterdieren. Het zijn ook aaseters. In de zomer komen ze in groepen voor. De mannetjes zijn kleiner dan de vrouwtjes, ze hebben lange nagels aan de voorpoten. De eieren kunnen na twee of 3 maanden uitkomen; sommige jongen worden echter in het volgende voorjaar geboren. Het rugschild is breed, donker en plat, de rand is glad. Op de rand van het rugschild vindt men rode vlekken evenals op de geelgestreepte huid van de kop en de ledematen. Het buikschild is geel en soms rood getint. De verschillende ondersoorten lijken veel op elkaar, maar de tekening op rug- en buikschild vertoont kleine verschillen.
Roodwang-sierschildpad
(Trachemys scripta elegans)
Het rugschild is gewoonlijk glad en tamelijk vlak, de achterkant is grof gezaagd. Het rugschild van de vormen uit Florida en Alabama is hoger dan van de twee andere. De olijfbruine schilden en de huid van de dieren vertonen rode en gele vlekken. De roodwang-sierschildpad heeft een duidelijke rode streep achter het oog. De mannetjes zijn donkerder dan de vrouwtjes en men hield ze vroeger voor een andere soort. Met de zeer lange nagels van de voorpoten krabben ze zacht op de kop van het vrouwtje tijdens het paringsspel. Het vrouwtje graaft later een hol nabij de oever en legt daarin ca. 10 eieren die met modder bedekt worden. Deze dieren prefereren vijvers en rustige stromen en ze zonnen zich op boomstammen die in het water liggen. Het zijn de meest voorkomende soorten van de Mississippi en haar zijrivieren.
Hierogliefen-schildpad
(Pseudemys floridana hieroglyphica)
De naam hebben ze te danken aan de merkwaardige gele figuurtjes die op het rugschild voorkomen. Deze Pseudemys-soort heeft een donker plat rugschild. Het buikschild is geel- met donkere vlekken. De dieren voeden zich met kleine waterdiertjes, insecten en ook met dode vissen. Soms eten de dieren waterplanten.
Doos-schildpadden

(Oostelijk: Terrapene carolina / Westelijk: Terrapene ornata)
Zijn landdieren die men af en toe in of bij water aantreft. Ze geven de voorkeur aan vochtige open bossen of moerassen en voeden zich met insecten, regenwormen, slakken en allerlei vruchten. Doosschildpadden hebben een scharnierend buikschild dat een volledige afsluiting veroorzaken kan wanneer het dier verontrust wordt. Het rugschild is lang en hoog gewelfd. Er zijn twee soorten, de oostelijke en de westelijke. Van de eerste soort worden verscheidene ondersoorten onderscheiden, die men kan herkennen aan de vorm en de tekening van het rugschild en aan het aantal tenen (drie of vier) aan de achterpoten. Het buikschild van het wijfje is gewoonlijk vlak, dat van het mannetje staat hol. De staart van het mannetje is langer. Het mannetje heeft gewoonlijk helderrode ogen, die van het vrouwtje zijn donkerrood tot bruin. In de vroege zomer begraaft het vrouwtje vier tot vijf ronde witte eieren op een zonnig plekje. Ze komen na ongeveer drie maanden uit. De jongen kunnen spoedig daarna in de winterslaap gaan zonder zich gevoed te hebben. Na twintig jaar zijn ze volwassen; ze kunnen 80 jaar oud worden. Sommige doosschildpadden heeft men 25 jaar in leven kunnen houden in gevangenschap.
Gevlekte-schildpad
(Clemmys guttata)
Een kleine, algemene schildpad met ronde oranje of gele vlekken op het gladde zwarte rugschild. De kop vertoont dezelfde kleuren. Het dier leeft en voedt zich in helder, stilstaand water en eet waterinsecten, kikkervisjes en dode vissen. De staart van het mannetje is tweemaal zo lang als die van het vrouwtje.
Muhlenberg's-schildpad
(Clemmys muhlenbergi)
Is gemakkelijk te herkennen aan de grote oranje vlek aan weerszijden van de kop. Het donkere rugschild is kort en smal en voorzien van concentrische ringen. Het dier leeft op het land in moerassen, maar gaat te water als er gevaar dreigt en soms om zich te voeden.